De Ptolemaeïsche astronomie

In de Ptolemaeïsche astronomie staat de aarde in het middelpunt van het heelal. De zon, de maan en de planeten draaien in cirkelvormige banen om de aarde. Deze volmaakte vorm lag voor de hand, omdat in de hemel volmaaktheid heerst.

Men nam echter onregelmatigheden waar. Sommige planeten leken zelfs van tijd tot tijd achteruit te bewegen ten opzichte van de vaste sterren – vandaar de term "dwaalsterren". Om dit zwerfgedrag te verklaren breidde men het systeem uit tot een draagcirkel (deferens) en een hulpcirkel (epicykel). De aarde stond in het middelpunt van de draagcirkel. Op de draagcirkel draaide een punt rond, dat weer het middelpunt vormde van de hulpcirkel. Op de hulpcirkel draaide de planeet zelf.

De resterende onnauwkeurigheden maakten enkele verfijningen nodig. Zo werd het zogenaamde vereffeningspunt ingevoerd. De beweging van de planeet op de hulpcirkel werd berekend ten opzichte van een lijn door het vereffeningspunt en het middelpunt van de hulpcirkel. Verder kon het vereffeningspunt stilstaan of rond de aarde draaien. En als zelfs dat niet voldoende was om de afwijkingen te verklaren, kon men het middelpunt van de draagcirkel buiten de aarde plaatsen of in de baan van het vereffeningspunt laten meebewegen.

Inderdaad, erg ingewikkeld allemaal. Men had veel over voor de hemelse volmaaktheid van de cirkel. Galilei, Copernicus en Kepler bewerkstelligden dan ook niets minder dan een omwenteling. Opeens draaide alles om de zon, en een simpele ellips verving duizelingwekkende cirkelconstructies.